Ontwerpeisen van Interstate Highways

Uit Wegenwiki
Ga naar: navigatie, zoeken

De Ontwerpeisen van Interstate Highways zijn vastgesteld door de American Association of State Highway and Transportation Officials (AASHTO) in de uitgave "A Policy on Design Standards - Interstate System." Voordat een route een Interstate Highway genoemd kan worden moet deze weg aan de ontwerpeisen voldoen, en toestemming van de Federal Highway Administration (FHWA) krijgen.

Ontwerpeisen

Ongelijkvloerse kruisingen. De zogenaamde "Controlled Acces", waarbij alle toe- en afritten van en naar de snelweg ongelijkvloers zijn met afritten of knooppunten (inclusief spoorwegovergangen). De bedoeling is dat afritten minimaal 1 mijl uit elkaar liggen in stedelijke gebieden, en 3 mijl op plattelandssnelwegen. Dit wordt echter niet altijd gevolgd. Ook zijn er uitzonderingen met enkele gelijkvloerse kruisingen, bijvoorbeeld aansluitingen van zeer afgelegen ranches in Texas.

Minimum ontwerpsnelheid. De ontwerpsnelheid moet minimaal 75 mph (120 km/h) zijn in landelijke gebieden en 65 mph (100 km/h) in bergachtig terrein tot 55 mph (90 km/h) in stedelijke gebieden. Er zijn echter wel uitzonderingen met lagere snelheden. Daarnaast moet er een mimimale zichtafstand zijn.

Maximale hellingen. Het maximale hellingspercentage mag niet meer dan 6% bedragen.

Minimaal aantal rijstroken. Er moeten minimaal 2 rijstroken per richting aanwezig zijn, en meer wanneer dat nodig is. Kruipstroken moeten worden toegepast waar dat nodig is.

Minimale rijstrookbreedte. De mimimale rijstrookbreedte is 12 voet. (3,62 meter).

Vluchtstrookbreedte. De buitenste vluchtstrook moet minimaal 10 voet (3,0 meter) breed zijn, met een redresseerstrook of linkervluchtstrook van minimaal 4 voet (1,2 meter). Wanneer er meer dan 3 rijstroken per richting zijn moet er ook links een volledige vluchtstrook van 10 voet breed zijn. Wanneer er een hoog aandeel vrachtverkeer is dan moeten 12 voet (3,6 m) brede vluchtstroken overwogen worden. In bergachtig terrein mogen vluchtstroken smaller zijn. Niet alle Interstate Highways voldoen aan deze normen.

Verkanting. De verkanting moet minimaal 1,5% maar liever 2% zijn om voldoende regenwater te kunnen afvoeren. In gebieden met veel neerslag is 2,5% aan te raden.

Middenbermbreedte. In plattelandsgebieden is 36 voet (11 meter) aan te raden, en 10 voet (3 meter) in stedelijke en bergachtige gebieden. Om aanrijdingen te voorkomen met de verkeerde weghelft moet een middengeleider, meestal een Jersey Barrier worden toegepast op basis van verkeersintensiteiten, bermbreedte en ongevalsstatistieken. Openingen tussen parallelle bruggen van minder dan 30 voet (9 meter) zouden moeten worden afgeschermd, met een overdekking of vangrails.

Stoepranden. Verticale stoepranden zijn verboden. Schuin oplopende stoepranden zijn toegestaan aan de buitenste rand van de vluchtstrook met een maximumhoogte van 4 inch (10cm). De combinatie van stoepranden en vangrails wordt afgeraden, in dat geval moet de vangrail dichter op de weg staan dan de stoeprand.

Vrije onderdoorgang. De minimale onderdoorgang moet 16 voet (4,9 meter) zijn in landelijke gebieden tot 14 voet (4,3 meter) in stedelijke gebieden, inclusief vluchtstroken en gereserveerde ruimte voor extra lagen wegdek. Portalen en voetgangersbruggen moeten minimaal 17 voet (5,1 meter) boven de weg hangen, met uitzondering van stedelijke gebieden met lagere viaducten. In dat geval moeten alle objecten minimaal 1 voet (0,3 meter) hoger dan de onderkant van viaducten hangen.

Tunnelhoogte/breedte. Tunnels zouden in theorie hetzelfde moeten zijn als lange bruggen over de weg, maar mogen lager zijn wanneer de kosten te hoog zijn. Tunnels moeten minimaal een vrije onderdoorgang hebben als viaducten over de weg. De breedte moet minimaal 44 voet (13,1 meter) zijn, met 2 rijstroken en een brede vluchtstrook en een smallere redresseerstrook, plus een extra 70 centimeter ruimte voor vluchtroutes naast de vluchtstrook. Een versmalde breedte is acceptabel als de kosten te hoog worden.

Referenties