Rijkswegenplan

Uit Wegenwiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Eerste aanloop naar een plan voor de verbetering van de doorgaande wegen

Op 19 december 1906 vond in het parlement een debat plaats over de toekomst van het automobilisme. Kamerlid Lely hield een gepassioneerd betoog waarin hij een toekomstbeeld schetste waarin de auto zich van het bezit van enkelen zich zou ontwikkelen tot een massa-product. Het zou in zijn ogen een doelmatig vervoermiddel worden dat nieuwe hoofdwegen nodig zou hebben met scheiding van soorten verkeersdeelnemers, en waarin de vrije loop van het verkeer niet mocht worden belemmerd. De auto zou in de ogen van Lely ingrijpende gevolgen hebben voor de ruimtelijke ontwikkeling van de steden en het platteland. Hij verzocht de Regering om snel met een plan te komen voor een landelijk net van hoofdwegen die voor autoverkeer geschikt waren en "waarvoor de provinciale hoofdsteden onderling zoodanig verbonden worden, dat men elk dier steden met snelheden van 60 tot 80 en wellicht meer KM kan bereiken". Direct effect hadden de woorden van Lely niet.

Toen Lely zelf minister was geworden diende hij op 28 juli 1915 een wetsvoorstel in om de allerdrukste verbindingen te verbeteren, door middel van een apart fonds. Echter door de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog was er benzineschaarste en een (tijdelijk) verbod op particulier autoverkeer. Het wetsvoorstel bleef onbehandeld in de Tweede Kamer en Lely's opvolger König trok het voorstel in.

Lely stelde in 1915 eveneens een Rijkswegencommissie in, een ambtelijk adviesorgaan dat adviseerde over allerlei zaken die betrekking hadden op de weginfrastructuur. Dit bleek een succes, want in korte tijd kon veel kennis over wegverbeteringen en verkeersregels worden gebundeld. Veel van wat in deze commissie is besproken, kan worden beschouwd als een inhoudelijke voorbereiding om te komen tot het Rijkswegenplan 1927.

Het Wegenvraagstuk en het Nederlands Wegencongres

Begin 20e eeuw werden de wegen een probleem. Niet alleen voor automobilisten, maar ook voor de zich in steeds grotere aantallen aandienende fietsers. Het rijkswegennet kenmerkte zich destijds door smalle wegen (meestal maar 3 meter breed), telegraafpalen, bomen, tramsporen, overzetveren, tollen en vele kilometers omrijden. Bovendien werd het wegdek steeds vaker beschadigd door de steeds zwaarder wordende voertuigen. Er moest wat gebeuren, men sprak van het "Wegenvraagstuk".

In 1920 werd door het Koninklijk Instituut van Ingenieurs (KIVI) en de ANWB voor de eerste keer het Nederlandse Wegencongres georganiseerd. Het werd zo'n succes dat de gelijknamige vereniging nog vele tientallen jaren kon bijdragen aan de ontwikkeling van de wegenbouwkunde en verkeerstechniek in Nederland.

Eerste Rijkswegenplan

In 1923 was binnen de Rijkswaterstaat het district Wegentechniek tot stand was gekomen, bedoeld als centrale organisatie voor zowel de technische als de maatschappelijke kanten van de wegenproblematiek. Het was de eerste functionele dienst binnen de Rijkswaterstaat. De leiding kwam in handen van G.J. van den Broek. Van den Broek stelde in 1926 de Wegenbelastingwet op, waarmee het rijden op de openbare weg werd belast. De inkomsten daaruit vloeiden in een Wegenfonds. Hieruit konden onderhoud en verbeteringen aan de wegen worden betaald. Met de Wegenbelastingwet was een oplossing voor de wegenkwestie gevonden.

Van den Broek was van mening dat een structurele oplossing alleen kon worden gevonden door het opstellen van wat hij noemde een "algemeen schema". Zijn beleid was gestoeld op twee pijlers: mobiliteit en verkeersveiligheid. Dat is feitelijk nog altijd zo. Op 4 juni 1927 werd het eerste Rijkswegenplan van de hand van Van den Broek ontvouwd. Een plan, waaraan ook het Nederlands Wegencongres haar bijdrage had geleverd. Het plan bevatte zowel bestaande als te verbeteren wegen, maar ook nieuw aan te leggen verbindingen. Het plan was globaal en bestond feitelijk uit tabellen voor de diverse wegen en een toelichtende kaart. Op deze kaart was een hoofdwegenstelsel voor doorgaand, gemotoriseerd verkeer weergegeven. Het lag in de verwachting dat het plan, dat 300 miljoen guldens van 1927 zou moeten kosten, zou binnen 30 jaar uitgevoerd kon zijn.

Aanpassingen

In de jaren erna zou het plan diverse malen worden aangepast. De volgende rijkswegenplannen zijn uitgebracht:

Externe links

Chronologie van Nederlandse nationale wegenplannen

Vaststelling (historische) rijkswegennetten: 1816 - 1821

Rijkswegenplannen: 1915 - 1927 - 1932 - 1938 - 1948 - 1958 - 1968 - 1984

Tussentijdse wegenplannen: 1200 km-plan (1959) - Structuurschema Hoofdwegennet 1966

Planologische kernbeslissingen: Structuurschema Verkeer en Vervoer (1977-1981) - Tweede Structuurschema Verkeer en Vervoer (1988-1991) - Nationaal Verkeers- en Vervoersplan (2000-2002) - Nota Mobiliteit (2004-2006)

Rijksstructuurvisies: Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2011-2012)


Wegenplannen en hun wetgeving

Wetgeving: Wegenbelastingwet / Motorrijtuigenbelastingwet (1926) • Wet Uitkeringen Wegen (1966) • Wet Herverdeling Wegenbeheer (1992) • Planwet Verkeer en Vervoer (1998) • Omgevingswet (2018)

Wegenplannen 1926 - 1993: Rijkswegenplan (vanaf 1926) • Secundair wegenplan (vanaf 1926) • Tertiair wegenplan (vanaf 1937) • Quartaire wegenlijst (vanaf 1966)

Verkeers- en Vervoersplannen 1998 - 2018: Nationaal Verkeers- en Vervoersplan (NVVP) • Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan (PVVP) • Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP)