Ruimtelijke ordening

Uit Wegenwiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Definitie

Instrument om ruimtelijke behoeften als wonen, werken, recreëren, mobiliteit, water en natuur in een samenhangende benadering te verdelen.


Toelichting

Van oorsprong kon een landeigenaar met zijn grond doen wat hij wilde als het ging om gebruik. Begin 20e eeuw ontstond een meer planologisch gedreven stads- en verkeersontwikkeling. Echter wettelijke instrumenten daarvoor waren er nog niet. Het was de Duitse bezetter die in Nederland op 15 mei 1941 de Rijksdienst voor het Nationale Plan (RNP) instelde, belast met de Ruimtelijke Ordening. De RNP bleef gedurende de oorlog een kleine organisatie, maar de basis was gelegd voor een na-oorlogse ontwikkeling. Toch zou wettelijke verankering van het instrument nog tot midden jaren '60 op zich laten wachten.

Midden jaren '50 werden de maatschappelijke problemen rondom de woningnood, de migratie van het platteland naar de stad en de bevolkingsaanwas zo groot dat hierover nota's verschenen. Het begon met de Nota Westen des Lands in 1958, feitelijk een voorloper van de eerste Nota inzake de Ruimtelijke Ordening (1960). De problemen zoals die geconstateerd werden moest worden voorkomen door een beleid van spreiden van wonen en werken. Door economische groei buiten de Randstad zou de laatste minder overbevolkt raken. In deze eerste nota wordt een model voor het westen van het land geschetst waarin de steden als een U-vorm rondom een groen middengebied zijn gesitueerd. Feitelijk is de 1e Nota daarmee ook de 'procedurele' geboorte van het "Groene Hart", een gebied zonder verstedelijking in het midden van de Randstad.

In 1966 verscheen de Tweede Nota op de ruimtelijke ordening, en die zou het beleid tot 1973 blijven bepalen. De Tweede Nota ging uit van een prognose waarbij Nederland in het jaar 2000 een inwoneraantal van 20 miljoen zou hebben. Om te voorkomen dat het westen van het land zou dichtslibben, werd een beleid op de rails gezet dat men noemde de "gebundelde deconcentratie", ofwel: spreiding van functies, maar wel geconcentreerd zodat er voldoende open gebied zou blijven. Om de bevolkinggroei op te vangen werden zogenaamde "groeikernen" aangewezen. Een dicht netwerk van verkeerswegen zou ervoor moeten zorgen dat het stedelijk concept goed zou kunnen functioneren. Dit werd ook onderstreept door het Structuurschema Hoofdwegennet, dat in 1966 het licht zag.

De belangrijkste professionalisering van de ruimtelijke ordening was dat op 1 augustus 1966 is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Wro) in werking getreden. De wet moest het grondgebruik in Nederland gaan reguleren. Hiertoe kregen de drie overheidslagen formeel hun eigen ruimtelijke planning. Gemeentebesturen kunnen sindsdien een juridisch bindend bestemmingsplan vaststellen. Ook kan de gemeente een structuurplan vaststellen om toekomstige ontwikkelingen aan te geven. Op provinciaal niveau kunnen streekplannen worden vastgesteld. Nationaal ruimtelijk beleid is neergelegd in een Rijksnota, en als instrument is de PKB, de Planologische KernBeslissing voorhanden. Alle plannen zijn onderhevig aan inspraakprocedures.

Thans is een omwenteling gaande waarbij de Ruimtelijke Ordening ondergebracht wordt in de Omgevingswet, die in 2021/2022 in werking zou moeten gaan.