Secundair wegenplan

Uit Wegenwiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Een secundair wegenplan was een provinciaal wegenplan dat de verdeling van de opbrengsten in elke provincie regelde. De plannen dienden aan te sluiten bij de plannen die werden opgesteld in het rijkswegenplan. De eerste secundaire wegenplannen verschenen in 1927 vanwege het verschijnen van de Wegenbelastingswet en het eerste Rijkswegenplan. De gebruikte nummering was louter administratief en veranderde vaak doordat er geregeld een nieuw Rijkswegenplan verscheen. Secundaire wegenplannen werden beëindigd in 1993 door de zogenaamde operatie Brokx-droog, die uitmondde in de Wet Herverdeling Wegenbeheer. Daarna werd overgegaan op een indeling in genummerde wegen met twee categorieën. Een weg die op het secundaire wegenplan is vermeld wordt Secundaire weg genoemd.

Geschiedenis

Veel provincies in Nederland ontvouwden in de jaren '20 van de 20e eeuw plannen om doorgaande wegen aan te leggen vanwege de vele problemen die er ontstonden in het wegverkeer buiten de bebouwde kom. Het was in die tijd een hele opgave om je te verplaatsen met een gemotoriseerd voertuig. De vele veren, tolgelden, smalle en slecht verharde wegen waren een doorn in het oog voor velen. Het Rijk beheerde een Rijkswegennet dat in die tijd nog niet samenhangend was en de provincies vonden het daarom onafhankelijk van elkaar benodigd dat er ook goede wegen tussen belangrijke provinciale centra, met Rijkswegen en met andere provinciale wegbeheerders moesten komen. De provinciale wegennetten die hieruit moesten ontstaan zouden in veel gevallen met provinciale belastingen moeten worden bekostigd. Op die manier kon elke provincie zijn eigen provinciale net aanleggen.

In 1927 verscheen het eerste Rijkswegenplan. Voor de aanleg van wegen werd daartoe op 30 december 1926 de Wegenbelastingswet ingevoerd waarvoor van elke houder een vaste jaarlijkse bijdrage werd verlangd. Alle inkomsten zouden aan de uitbreiding van het Nederlandse wegenstelsel worden besteed. Uit de opbrengsten die verkregen werden uit de motorrijtuigen- en rijwielbelasting vermeerderd met extra-bijdragen uit de Rijksmiddelen werd een wegenfonds opgesteld. Er werd een verdeelsleutel bepaald die de verschillende wegbeheerders konden besteden aan de verbetering van het provinciale wegennet.

De wegenbelasting die voor 1927 door de provincies werd geind kon dus niet meer gebruikt worden. Elke provincie diende nu te zorgen voor een evenwichtige verdeling van de gelden tussen de verschillende wegbeheerders op haar eigen grondgebied. De verdeelsleutel werd bepaald op basis van de oppervlakte, het inwonertal en de totale lengte aan verharde wegen binnen de provincie en het aandeel dat de houders per provincie in de motorrijtuigenbelasting opbrachten.

De provinciale wegenplannen die vanaf 1927 verschenen waren dus anders van opzet dan de meeste provinciale wegenplannen van voor 1927 en die bedoeld waren voor de aanleg van provinciale wegen. In deze wegenplannen voor 1927 werd de aanleg en verbetering van het eigen wegennet aangeduid, terwijl in de provinciale wegenplannen die verschenen in het kader van de Wegenbelastingswet, de verdeling van de gelden werd aangegeven. Dit is een wezenlijk verschil. In het laatste geval werd alleen aangegeven wat de rangorde van de wegen was en of er veel of weinig kosten benodigd waren. Wie de wegbeheerder was maakte niet zoveel uit. Een secundaire weg kon dus bij zowel een provincie of een gemeente in beheer zijn.

De nummering

De nummering van de secundaire wegen was per provincie geregeld. Dit was een louter administratieve nummering, er zijn geen gevallen bekend waar deze nummering op de bewegwijzering werd vermeld. Sporadisch wil het nog wel eens voorkomen dat bij bijvoorbeeld wegwerkzaamheden het administratieve nummer op de tijdelijke borden wordt vermeld, of op sommige kaarten en plattegronden. Sporadisch komen deze nummers tot op heden nog wel eens voor in het straatbeeld. Bij de omlegging van de A9 bij Badhoevedorp wordt door Rijkswaterstaat nog steeds gesproken over de aanpassing van de T106 en dat nog wel in officiële stukken, een nummer dat al sinds 1993 is verdwenen. Bovendien wordt in het spraakgebruik nog wel eens een S-nummer of T-nummer gebruikt voor bekende wegen.

Als een provinciaal wegenplan werd gewijzigd kwam het geregeld voor dat er geschoven werd met de nummering. Dit is dan ook de reden dat de nummering niet in de bewegwijzering werd opgenomen. Bovendien konden de S-nummers of T-nummers in elke provincie voorkomen, waarmee het dus in theorie mogelijk was dat er twaalf dezelfde nummers konden voorkomen en dat deze konden verspringen op de provinciegrens. Ook dit is een reden geweest om deze nummers niet op de bewegwijzering te vermelden.

Hier een overzicht van de nummering van secundaire wegen per provincie.

Einde van de secundaire wegenplannen

Secundaire wegenplannen, en daarmee ook de provinciale wegenplannen werden beëindigd in 1993 door de herverdeling van het wegenbeheer, de zogenaamde operatie Brokx-droog, die uitmondde in de Wet Herverdeling Wegenbeheer. De Wet Herverdeling Wegenbeheer was eveneens een moment waarop de derde en laatste fase van het Nationaal Routenummerplan van 1976 werd geïmplementeerd. De provinciale Secundaire en Tertiaire Wegenplannen werden beëindigd, en daarmee ook hun administratieve nummering. In het nieuwe wegnummeringssysteem werden de nummers 400 t/m 999 toegewezen aan de minder doorgaande bovenlokale routes. Elk nummer is uniek en kan de provinciegrenzen overschrijden. De nummerreeks 400 t/m 999 betreft enkel N-wegen. De nummers 175 t/m 399 werden reeds toegewezen in 1976, en bewegwijzerd vanaf 1982. In 1985 was de bewegwijzering van de nummers 175 t/m 399 vrijwel voltooid. Deze nummers zijn veelal N-wegen, maar soms vallen er ook A-wegen onder. Uit het nummer is niet af te lezen of de weg in beheer is bij een provincie, gemeente, een waterschap of het Rijk.

De nummerreeks 175 - 399 hoort altijd op de bewegwijzering vermeld te worden, de reeks 400 - 999 enkel als bevestiging na elk kruispunt, hoewel in een aantal provincies steeds meer N-wegen boven de 400 verschijnen op de bewegwijzering. De N-wegen tussen de 1 en 99 behoren in de meeste gevallen bij het Rijk.

Veel provincies zijn na de beëindiging van de provinciale wegenplannen overgestapt op andere systemen van verdeling van de gelden bestemd voor aanleg en onderhoud. In de Motorrijtuigenbelasting van tegenwoordig wordt een deel van de opbrengsten bestemd voor de provincies met de zogenaamde provinciale opcenten, die rechtstreeks door de provinciale weggebruiker worden opgebracht. Provincies hebben sinds 1993 geen provinciale wegenplannen meer, maar kennen nu veelal beleidsplannen waarin de richting aangegeven wordt voor nieuwe wegvakken en provinciale onderhoudsplannen die ook wel Provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur (PMI) worden genoemd, of Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport (MIT).

Referenties


Wegenplannen en hun wetgeving

Wetgeving: Wegenbelastingwet / Motorrijtuigenbelastingwet (1926) • Wet Uitkeringen Wegen (1966) • Wet Herverdeling Wegenbeheer (1992) • Planwet Verkeer en Vervoer (1998) • Omgevingswet (2018)

Wegenplannen 1926 - 1993: Rijkswegenplan (vanaf 1926) • Secundair wegenplan (vanaf 1926) • Tertiair wegenplan (vanaf 1937) • Quartaire wegenlijst (vanaf 1966)

Verkeers- en Vervoersplannen 1998 - 2018: Nationaal Verkeers- en Vervoersplan (NVVP) • Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan (PVVP) • Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP)