Wet geluidhinder

Uit Wegenwiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
voorbehoud

Lees het algemeen voorbehoud voor informatie omtrent artikelen met juridische informatie.

De Wet geluidhinder (Wgh) is een wet in Nederland. Het heeft ten doel de burger te beschermen tegen wegverkeer, spoorverkeer en industrielawaai. Bij het vaststellen of wijzigen van een bestemmingsplan is vaak een akoestisch onderzoek vereist.

Geschiedenis

Wegverkeerslawaai

Begrippen

De Wet geluidhinder is van toepassing op geluidsgevoelige gebouwen, zoals woonhuizen voor permanente bewoning, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en andere geluidsgevoelige terreinen. Kantoren, recreatieparken, hotels en andere niet-permanent bewoonde voorzieningen vallen niet onder de Wgh.

In de Wet geluidhinder worden situaties onderscheiden tussen stedelijke en buitenstedelijke situaties, gebaseerd op de bebouwde kom zoals gedefinieerd in de wegenverkeerswet.

Het geluidsniveau wordt uitgedrukt in Lden, de etmaalwaarde van het equivalente geluidsniveau over de day, evening en night. Tot 2006 werd gerekend in dB(A) zonder de avondperiode. De dagperiode is van 07.00 tot 19.00 uur, de avondperiode van 19.00 tot 23.00 uur en de nachtperiode van 23.00 tot 07.00 uur.

Wegen hebben een geluidszone, afhankelijk van het aantal rijstroken en de binnen- of buitenstedelijke situatie. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar wegtypes zoals een erftoegangsweg of een autosnelweg.

De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai is in principe 48 dB. Afhankelijk van de situatie kan een hogere grenswaarde worden vastgesteld, mochten maatregelen om de geluidsbelasting terug te dringen naar onder de voorkeursgrenswaarde niet mogelijk zijn. Dit wordt de maximale ontheffingswaarde genoemd.

Een akoestisch onderzoek is vereist wanneer een geluidsgevoelige bestemming wordt gerealiseerd binnen de geluidszone van een weg. Dit onderzoek moet aantonen of aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan, en zo niet, wat dan de vervolgstappen zijn.

De Wet geluidhinder gaat ook over reconstructies. Niet alle reconstructies zijn een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. Bij een reconstructie mag de geluidsbelasting afgerond niet met meer dan 2 dB toenemen.

Geluidszone

Een geluidszone wordt in artikel 74 vastgesteld. Een geluidszone strekt zich uit langs beide zijden van de weg, gerekend vanaf de wegas. Er wordt onderscheid gemaakt tussen stedelijk en buitenstedelijk gebied. De ruimte boven en onder de weg behoort tot de geluidszone. Aan het einde van de weg loopt de zone nog door met de breedte van de zone in het verlengde van de wegas.

Wegen die als woonerf zijn aangeduid, en wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur hebben geen geluidszone.

Akoestisch onderzoek

Een akoestisch onderzoek is volgens artikel 77 nodig wanneer een bestemmingsplan wordt gewijzigd of vastgesteld binnen de geluidszone van een weg. Het onderzoek moet tevens de doelmatigheid van maatregelen ter voorkoming van het overschrijden van de voorkeursgrenswaarde aantonen.

Verkennende studies kunnen gebruikmaken van de standaardrekenmethode (SRM) SRM-I. Voor de meeste akoestische onderzoeken is echter de meer gedetailleerde SRM-II vereist, waarbij de situatie gemodelleerd wordt.

De belangrijkste input voor het akoestisch onderzoek zijn de verkeersgegevens. Deze worden vaak verkregen middels verkeerstellingen of uit verkeersmodellen. De ingevoerde verkeersgegevens zijn bij bezwaren tegen een voorgenomen plan vaak een belangrijk punt van discussie. Naast de verkeersgegevens worden ook andere variabelen in het model ingebracht, zoals bebouwing, hoogteverschillen, schermen, geluidswallen en akoestisch reflecterende gebieden (verharding).

Voorkeursgrenswaarde

In artikel 82 wordt de voorkeursgrenswaarde geregeld. De voorkeursgrenswaarde is 48 dB. Het akoestisch onderzoek moet aantonen of aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan, en zo niet, wat de vervolgstappen zijn. Het onderzoek moet er in eerste instantie op gericht zijn, om de gevelbelasting terug te dringen tot 48 dB of lager.

Hogere grenswaarde

Wanneer het beperken van de geluidsbelasting tot de voorkeursgrenswaarde vanuit financieel, stedebouwkundig, verkeerskundig of vervoerskundig oogpunt niet mogelijk is, kan een hogere grenswaarde worden ingesteld. Dit wordt de maximale ontheffingswaarde genoemd. Deze is afhankelijk van de situatie, maar is in beginsel 63 dB voor woningen in stedelijk en 53 dB voor woningen in buitenstedelijk gebied.

Voor agrarische woningen die essentieel zijn voor het uitoefenen van het bedrijf, geldt een maximale ontheffingswaarde van 58 dB. Voor vervangende nieuwbouw gelden andere, hogere normen, namelijk 58 dB in buitenstedelijk en 68 dB voor woningen in stedelijk gebied. Onder vervangende nieuwbouw worden woningen verstaan die ter vervanging van bestaande woningen gebouwd worden, die geen ingrijpende wijziging in de stedebouwkundige functie of structuur zijn, en de toename van het aantal geluidhinderden is gemaximeerd op 100 woningen.

Reconstructies

Eén van de belangrijkste zaken uit de Wgh is de reconstructie van een weg en wordt geregeld in artikel 87. Dit omvat de aanleg, wijzing of verbreding van een hoofdweg in de zin van artikel 2 van de tracéwet. Het akoestisch onderzoek moet in tegenstellingen tot nieuwe woningen, voor twee jaren uitgevoerd worden; het jaar voorafgaand aan de reconstructie, en 10 jaar na realisatie van reconstructie. De geluidsbelasting mag afgerond met niet meer dan 2 dB toenemen. Wanneer de geluidsbelasting met minder dan 2 dB toeneemt, is er geen sprake van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder.

Het akoestisch onderzoek moet dit onderzoeken, en inzicht geven in de doelmatigheid van maatregelen om de reconstructie teniet te doen. Indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat de wijziging ook elders tot een verhoging van de geluidsbelasting zal leiden, dan moet dat ook bij het akoestisch onderzoek worden betrokken. Dit is vaak een punt van discussie in bezwaren. Ook de vertraging die bezwaren met zich meebrengen, is weer een punt van discussie omdat het onderzoeksjaar, de 10 jaar na realisatie, hierdoor vaak niet meer juist is.

Wanneer eerder een hogere waarde is vastgesteld, dan geldt de laagste van de volgende twee waarden als voorkeursgrenswaarde;

  • de heersende waarde
  • de eerder vastgestelde waarde

Geluidsproductieplafonds

Sinds 1 juli 2012 geldt er langs rijkswegen en andere rijksinfrastructuur (zoals spoorlijnen) een geluidsproductieplafond (GPP).[1] Hierin is in een geluidsplafondkaart vastgelegd hoeveel lawaai rijksinfrastructuur maximaal mag produceren. Dit betekent dat het geluid niet meer onbeperkt mag toenemen, wat voorheen wel het geval was indien er nooit een reconstructie plaatsvond. Dit geldt niet alleen voor geluidsgevoelige bestemmingen, maar langs gehele rijkswegen, dus ook op plekken zonder bebouwing, alhoewel bij een overschrijding een doelmatigheidsberekening uitgevoerd moet worden.[2] Bij de eerste vaststelling van de GPP's is uit gegaan van de heersende waarde + 1,5 dB, vergelijkbaar dus met een reconstructie. Hiervoor is het peiljaar 2008 gebruikt.[3] Een toename van 1,5 dB komt bijvoorbeeld voort uit het verhogen van de maximumsnelheid met circa 20 km/h of een toename van het verkeer met 50 procent. Langs hoofdspoorwegen geldt dat vooral de toename van het goederenvervoer maatgevend zal zijn. Eind 2018 waren er 60.876 referentiepunten met een geluidsproductieplafond langs een rijksweg.[4][5] Elke 100 meter is er een referentiepunt aan beide kanten van de rijksweg. Dit correspondeert met de circa 3.000 kilometer rijksweg die Nederland heeft.

Tabel: Kilometer rijbaan stil wegdek t.b.v. naleving geluidproductieplafonds

jaar km
2013 0
2014 8
2015 10
2016 15
2017 27
2018 114
2019 186
2020-2022 340

Spoorweglawaai

Referenties